Ik ging op een dag naar Jericho stad
Alwaar ik was koopwaar te verhandelen had
’t Was warm en ‘k was eenzaam de zon stond al hoog
Toen ik op een punt kwam waar de weg zich wat boog
Daar stonden die rovers, ‘k had geen verweer
Ze waren met velen en sloegen me neer
Zo lag ik daar uren door slagen verdoofd
Van geld en van kleding, van alles beroofd
Laat me niet liggen, naakt en gewond
Laat me niet liggen, alsof ik niet bestond
Laat meniet liggen, loop niet om me heen
Laat me niet liggen, ik kan ’t niet alleen
Een priester kwam langs, ik dacht:ik ben gered
Hij zal me wel helpen, want dat is de wet.
Maar hij keek langs me heen, deed of ik er niet was
Hij keek wel heel even, maar versnelde zijn pas
Toen kwam de leviet, God zij geloofd
Die kent de geboden geheel uit zijn hoofd
Maar toen hij nabij kwam zag ik meteen
Ook hij zal niet stoppen, liep snel langs me heen
Laat me niet liggen, naakt en gewond
Laat me niet liggen, alsof ik niet bestond
Laat me niet liggen, loop niet om me heen
Laat me niet liggen, ik kan ’t niet alleen
Mijn lichaam werd zwakker, ‘k had niet meer verwacht
Dat nog iemand zou horen mijn hulpeloze klacht
Tot plotseling een vreemdeling met zorgzame hand
Mijn wonden met olie ontdeed van het zand
En zonder veel omhaal vervoerde hij mij
En liet mij verzorgen in een herberg vlakbij
Daar liet hij wat geld en is toen gegaan
Geen was zo barmhartig als die Samaritaan
Laat me niet liggen, naakt en gewond
Laat me niet liggen, alsof ik niet bestond
Laat me niet liggen, loop niet om me heen
Laat me niet liggen, ik kan het niet alleen
Henk van Grondelle, Maart 1987
